“We willen studenten opleiden tot ervaringsgerichte kleuterleerkrachten die zich als professionelen levenslang in de breedte en de diepte willen en kunnen ontwikkelen en die zelfstandig en samen met alle onderwijsbetrokkenen verantwoordelijkheid willen en kunnen opnemen voor zichzelf, de kinderen, de school/onderwijsgemeenschap en de samenleving.”

Dit is het leerkrachtenprofiel dat ons voor ogen staat. We zeggen ermee veel dingen, maar het is de ervaringsgerichte invulling van de opleidingsinhoud die ons in belangrijke mate typeert. De ervaringsgerichte vormingstheorie kreeg in Vlaanderen de voorbije decennia o.m. voor het kleuteronderwijs een praktijkgeoriënteerde vertaling: ErvaringsGericht KleuterOnderwijs (Centrum voor ErvaringsGericht Onderwijs, CEGO, KULeuven). Wijzelf en onze studenten beschikken hiermee over een rijke leerbron die de concrete vormgeving van de dagelijkse klas- en schoolpraktijk inspireert en die daar tevens de verantwoording voor aanlevert vanuit de onderliggende visie op leren en ontwikkelen, opvoeding en onderwijs. We zijn ervan overtuigd dat we met dit praktijkgeoriënteerde en conceptueel referentiekader via de opleiding van onze studenten kunnen bijdragen aan kleuteronderwijs dat het ontwikkelingspotentieel van de kinderen ten volle aanspreekt en werk maakt van gelijke onderwijskansen.

Goed leren en professioneel ontwikkelen binnen de ervaringsgerichte benadering van onderwijs:

(1)   gebeurt in interactie met anderen (opleiders, mentoren, medestudenten);

(2)  sluit aan bij en bouwt voort op wat reeds verworven is(cumulatief, zone van naaste ontwikkeling)

(3)  vindt plaats vanuit de inspanningen die men zelf levert (actief leren, doen, op eigen kracht)

(4)  is betekenisvol (voorgaande ervaringen, bekommernissen en subjectieve theorieën, contextgebonden, in authentieke situaties)

(5)  is zelfgestuurd (reflectie, zelforganisatie, initiatief)

Deze kenmerken zijn eigen aan een visie op leren als sociaal-constructief proces, wat betekent dat mensen voortdurend hun werkelijkheid construeren op basis van hun ervaringen. Als ze dat samen doen, verloopt dat construeren fundamenteel anders. De opbrengst is méér dan de simpele optelsom van ieders inbreng. 

De ervaringsgerichte klas- en opleidingspraktijk streeft ernaar het leerproces van de kinderen volgens de genoemde karakteristieken te laten verlopen. Hij heeft daarbij fundamenteel leren op het oog, wat betekent dat cognitieve basisschema’s en handelingsmogelijkheden van de lerende diepgaand veranderen. De ervaringsgerichte visie gaat ervan uit dat dergelijke ingrijpende veranderingen bij uitstek plaatsvinden als de exploratiedrang[1] de drijvende en oriënterende kracht is bij het leren. De dynamiek (de energie, het streven, de wil) om te leren komt dan van binnenuit. Het geeft aanleiding tot een dynamisch leerproces, een proces dat wordt voortgestuwd en aangestuurd vanuit een intern gevoelde leerdrang of –nood, vanuit intrinsieke motieven. Om dit alles te realiseren, stelt het ervaingsgericht onderwijs dus hoge eisen aan leerkrachten.


[1]“Verzamelterm voor een waaier van ‘intrinsieke’ beweegredenen: activiteitsdrang, bewegingsdrang, de drang om de wereld te ‘ervaren’, om zintuigelijke indrukken op te doen, de behoefte om greep te krijgen op de realiteit of voor jezelf een nieuwe realiteit te scheppen. (…) De exploratiedrang is de krachtbron die een mens naar betrokken activiteit drijft.” (Laevers, 2004, blz. 28-29).

Ziekte

De student verwittigt de stageschool telefonisch minimum 15 minuten voor de schoolbel. Indien er geen gehoor gegeven wordt, verwittigt hij per mail en probeert hij later nog eens terug te bellen. De student spreekt bij aanvang van de stage af met de mentor hoe hij die kan verwittigen, bijv. telefonisch.
 
De student verwittigt de stagebegeleider zo vroeg mogelijk en zeker rond 8 uur ’s morgens per mail of – indien zo afgesproken – telefonisch.
 
De student bezorgt zo snel mogelijk een gewettigd afwezigheidsbewijs (doktersbewijs of attest van de werkgever voor student avondopleiding) op het studentensecretariaat. Je post je bewijs in het vakje van de ziektebewijzen aan het onthaal.

Elke afwezigheid op stage of begeleidingsmomenten van de stage moet gewettigd worden. Een ongewettigde afwezigheid betekent een stopzetting van de stage waardoor je niet geslaagd bent voor dit opleidingsonderdeel.
 
De student heeft de mogelijkheid om zelf een verklaring van ziekte te schrijven voor één stagemoment per semester (begeleidingsmomenten, OPR-dag, realiseren).  

Hoe verloopt het inhalen?

Begeleidingsmomenten

Als de student een begeleidingsmoment mist, contacteert hij zelf de stagebegeleider om na te vragen op welke manier dit moment ingehaald kan worden of welke opdracht hij zelfstandig zal verwerken.

Realisatie dagen
Elke gemiste realisatie dag wordt ingehaald. De student spreekt in samenspraak met de stagebegeleider en mentor af om in te halen op een ander lesvrij moment. Bij langdurige afwezigheid neemt de student contact op met de praktijkcoördinator. De student vult elke wijziging aan op de aanwezigheidskaart.

Indien inhalen niet meer mogelijk is, mag de student op het einde van het semester, afhankelijk van de fase, maar een bepaald aantal realisatie dagen gemist hebben om nog te kunnen slagen voor stage.

Fase 1

Instapstage: 1 dag – Basisstage: 1 dag

Fase 2

Stage jongere kleuters: 2 dagen – Stage oudere kleuters: 2 dagen

Fase 3

Keuzestage en Verdiepingsstage: 2 dagen

Schoolstage: 2 dagen

Eindstage: 2 dagen 

Wat te doen bij:

Ziektestage 1e, 2e en 3e jaar: student haalt deze stagedag(en) in.

Facultatieve verlofdag: stage 1e, 2e jaar: student haalt deze stagedag in.

Pedagogische studiedagstage 1e jaar: student volgt de studiedag niet mee en haalt deze stagedag in

Een realisatie dag die anders verloopt
1e jaar: Elke (halve) realisatie dag waarop een student omwille van andere activiteiten zoals toneel, uitstap, zwemmen,… niet zelf kan realiseren wordt ingehaald.

‘Observatie / participatie / kleine opdrachten oefenen’-dagen
Indien de student omwille van ziekte of schoolspecifieke aangelegenheden niet aanwezig kan zijn op een OPR-dag overlegt hij met de mentor en de stagebegeleider om te kijken op welk lesvrij moment dit ingehaald kan worden. Als dit op een lesvrij moment niet meer lukt dan bekijkt de stagebegeleider de volgende opties: de student haalt in functie van het realiseren in op een lesdag of de gemiste dag hoeft niet ingehaald te worden. De student vult elke wijziging aan op de aanwezigheidskaart.

Bij het stopzetten van de studies (officieel of officieus) verwittigt de student onmiddellijk de stageschool (mentor en directie), de stagebegeleider en de opleidingsmanager. Dit doet de student alvorens zich uit te schrijven. De student verwittigt ook de stagescholen van de volgende periodes waar hij een stageplaats toegewezen kreeg, dat hij niet meer op stage zal komen

Fase 1
 
In het eerste jaar hebben de studenten kennis gemaakt met het ervaringsgericht begeleiden van kleuters en hebben ze hierin voorzichtige eerste stapjes gezet. Zo leerden ze bijv. om een aanbod te ontwerpen en te realiseren waarmee de kinderen relatief zelfstandig aan de slag kunnen of spelen. Ze stonden ook in voor activiteiten die gericht zijn op ontmoeten, bijv. het onthaal. Tijdens de laatste stage (4 dagen) nam de student bijkomend en voor de eerste keer de organisatie van het klasleven op zich, dikwijls nog erg bijgestaan door de mentor.
 
Fase 2
 
In het tweede jaar blijven de studenten oefenen met het creëren van kansen tot ontmoeten en zelfstandig spel en bekwamen ze zich daar verder in. Tevens gaan ze zich nu meer toeleggen op het creëren en begeleiden van ervaringssituaties zoals ontwikkelingsondersteunend leren en explorerend beleven. Dat doen ze stap voor stap, maar uiteindelijk kunnen ze voor de kleuters een rijk en evenwichtig aanbod creëren en begeleiden. Geleidelijk aan krijgen de studenten meer verantwoordelijkheid voor het op de sporen zetten van het gehele klasleven. Op het einde van het tweede jaar kunnen ze relatief zelfstandig en met de nodige verantwoordelijkheidszin een kleuterklas op een ervaringsgerichte manier organiseren en begeleiden.
 
Fase 3
 
In het derde jaar versterken ze de verworven basiscompetenties om een klas te runnen en voor de kleuters een boeiend klasleven uit te bouwen. Er wordt van hen dan een doorgedreven zelfstandigheid verwacht. Ze leren ook aandacht te hebben voor de ontwikkeling van elk individueel kind en in het bijzonder voor kinderen met specifieke noden. In het derde jaar ligt de focus verder op het ingroeien in een schoolteam, samenwerken met collega’s en externe partners.
 

Stagecoördinator en -organisator

Stagecoördinator
 
Voor inhoudelijke vragen kan u terecht bij Els Teunissen – els.teunissen@thomasmore.be
 
Stage-organisator
 
Voor de organisatie van stages (stagecontracten, stageplaatsen, …) kan u terecht bij Astrid Vandormael (BAKO)/Kimberly Steenackers (BAKOA).
 
E-mailadres: stagebasisonderwijsmechelen@thomasmore.be
 

Dagopleiding

1e jaar
 
Astrid Vandormael – astrid.vandormael@thomasmore.be
 
2e jaar
 
Petrus Van Sanden – petrus.vansanden@thomasmore.be
 
3e jaar
 
Inge Goovaerts – inge.goovaerts@thomasmore.be
 

Avond- en weekendopleiding

1e jaar
 
Kimberly Steenackers – kimberly.steenackers@thomasmore.be
 
2e jaar
 
Astrid Vandormael – astrid.vandormael@thomasmore.be
 
3e jaar
 
Barbara De Jonge – barbara.dejonge@thomasmore.be
 

DUEL-traject

Barbara De Jonge – barbara.dejonge@thomasmore.be

Opleidingsmanager

Annelies Walschap – annelies.walschap@thomasmore.be – 015/36 92 77